Kunst is meer dan schoonheid; het is ook een groeiende pijler onder onze welvaart. Het is daarom belangrijk dat het kunstonderwijs zich zelfbewust en breed profileert, als samenwerkingspartner voor bijvoorbeeld sectoren zoals zorg, wonen of bestuur. Kunst en cultuur worden steeds vaker gezien als essentieel voor welzijn, democratie en maatschappelijke veranderingen. Verbinding met andere disciplines, sectoren en regionale ecosystemen is essentieel. Ondernemersvaardigheden en technologie horen in de opleiding thuis.
Dat is de kern van het advies van de externe commissie-Bussemaker, die in opdracht van de Vereniging Hogescholen een verkenning heeft uitgevoerd naar het hbo-kunstonderwijs. Aanleiding is een snel veranderende maatschappelijke, technologische en economische context en de vraag wat deze ontwikkelingen betekenen voor onderwijs en onderzoek in de kunsten. Zo’n verkenning vond voor het laatst plaats in 2010. Sindsdien zijn zowel de werkvelden in onder meer de culturele en creatieve sector als het kunstonderwijs zelf ingrijpend veranderd. Een nieuwe verkenning was noodzakelijk om het kunstonderwijs goed te positioneren voor de toekomst.
De commissie heeft haar adviezen samengevat in de term “ACT!”: assertief, collectief en transformatief. De wereld kenmerkt zich door geopolitieke onzekerheid, toenemende polarisatie en nieuwe technologieën zoals AI. Commissievoorzitter Jet Bussemaker (hoogleraar, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en oud-minister) zegt: “In deze wereld spelen de kunsten, en daarmee het kunstonderwijs, een belangrijke rol. Zij voeden de verbeelding, die juist in tijden van onzekerheid hard nodig is. Ze brengen mensen met elkaar in contact in een samenleving waarin isolement toeneemt en we ons steeds vaker in onze eigen bubbel terugtrekken. Daarnaast leveren ze maatschappelijke en economische waarde, ook buiten de cultuursector, en vormen ze een pijler van de democratische rechtsstaat.”
Voor studenten betekent dit dat zij moeten leren hun eigen waarde te benoemen en uit te dragen, met vertrouwen in hun eigen artistieke vermogens en in de betekenis van creativiteit voor de samenleving, aldus de commissie. Bussemaker: “Het gaat er niet alleen om dat kunstenaars en makers weten wat ze maken, maar ook waarom, voor wie en onder welke voorwaarden.”
Zij en voorzitter Maurice Limmen van de Vereniging Hogescholen (VH) overhandigden het rapport vandaag aan minister Letschert van OCW. VH-voorzitter Limmen: “Het kunstonderwijs beslaat een klein deel van het hoger beroepsonderwijs maar is maatschappelijk gezien van grote waarde. Creativiteit en daarmee het kunstonderwijs is daarnaast van steeds groter belang voor de toekomst van onze door technologie snel veranderende economie. Wij zijn de commissie-Bussemaker dankbaar voor haar adviezen en gaan daar de komende tijd binnen onze vereniging verder over in gesprek. ”
Het kunstonderwijs beslaat zo’n vijf procent van het totale hoger beroepsonderwijs. Er zijn zestien hogescholen met kunstonderwijs.
Commissievoorzitter Jet Bussemaker en voorzitter van de Vereniging Hogescholen Maurice Limmen overhandigen het rapport aan minister Letschert van OCW. Fotograaf: Lina Selg